In mijn vorige post citeerde ik de voorzitter van het CDA over interne partijdiscusssie over kabinetsdeelname, en schreef ik:
Mooie woorden, maar is dit geen politiek spelletje? Nu doen alsof er nog niets vaststaat en alles het beste bij discussie kan blijven, en dan later tactisch een sfeer scheppen van “het is nu wel erg laat om te klagen”?
In de Groene Amsterdammer beschrijft Aukje van Rossel de aard van dit politieke spelletje in woorden van gelijke strekking maar van veel grotere eloquentie:
Verhagen en Klink hebben een beproefde Haagse procedure uitgestippeld. Die werkt als volgt. Eerst vraag je als partijnotabele aan fractie, partij of achterban om er vertrouwen in te hebben dat je bij onderhandelingen er alles aan zult doen om binnen te halen wat mogelijk is. Beoordeel ons op het resultaat! Als het resultaat er dan eenmaal ligt, zeg je tegen critici: je kunt ons nu niet meer op dit of dat onderdeel terugsturen, daarvoor is het te laat. Met als argumenten daaromheen, vertaald naar de huidige situatie: wij als CDA nemen tenminste verantwoordelijkheid voor de regeerbaarheid van het land, wat is het alternatief als het niet deze coalitie wordt, en - niet onbelangrijk in dit geval - als jullie ons resultaat niet accepteren, zetten jullie ons, Verhagen en Klink, te kijk en wat zal dat wel niet betekenen voor de partij!
Het doet me allemaal denken aan het paascongres van D66, een paar kabinetten van Balkenende geleden. Nadat van Thijn in de Eerste Kamer de “kroonjuwelen” - en een van de primaire (genoemde) redenen van D66 om in het kabinet te gaan - van D66 opblies, oftewel tegen de gekozen burgemeester stemde, werd er een congres beraamd waarin gestemd zou worden over verdere kabinetsdeelname. Er waren mooie moties voorbereid die de leiding van D66 vroegen om verschillende dingen te doen. Partijprominent na partijprominent kwam aan het woord om voor kabinetsdeelname te pleiten. Er stond teveel op het spel, D66 had meer te winnen, het was te laat om terug te gaan. Uiteindelijk was er (handig genoeg) te weinig tijd om alle moties te behandelen, en werden ze door het congresbestuur in één overzichtelijke motie gebundeld, zonder de nuances van de afzonderlijke moties die verschillende mensen zochten. Verdere kabinetsdeelname kwam er gemakkelijk doorheen en ik ging als tegenstander van deze deelname met een enigzins verraden gevoel naar huis.
De partijprominenten winnen het in dit soort situaties altijd van de “underdog”. Dat kabinet komt er gewoon.
Nog een andere cynische voorspelling: partijnotabelen zoals Dries van Agt die dreigen over te stappen naar een andere partij, zullen dit niet doen. Ze vinden nog wel een reden waarom niet.
CDA-partijvoorzitter Henk Bleker, gequote door GeenCommentaar:
“Ik heb absoluut het beeld dat veel mensen zich afvragen: doen we hier goed aan? Maar er is pas sprake van verdeeldheid als er definitieve standpunten zijn ingenomen. Voorlopig zijn we nog volop in discussie.”
Mooie woorden, maar is dit geen politiek spelletje? Nu doen alsof er nog niets vaststaat en alles het beste bij discussie kan blijven, en dan later tactisch een sfeer scheppen van “het is nu wel erg laat om te klagen”?
In het boek Denken en Doen in Dialoog van Fanny Hermann wordt een nieuwe methodiek geschetst voor het ontdekken van de behoeften van doelgroepen en het maken van beleid. In de loop van dit boek wordt verslag gedaan naar onderzoek naar werklozen in Veenendaal en Wageningen. Kleinschalig onderzoek, maar niet minder interessant.
Wat is arbeid? Mok definieert arbeid in Arbeid, bedrijf en maatschappij als: “het verrichten van bezigheden die nut hebben voor degene die de arbeid verricht, voor zijn of haar naaste omgeving, en/of voor de maatschappij als geheel.” Het CBS definieert arbeid als: ”De inzet van menselijke capaciteit voor het produceren van goederen en diensten.” Met als toelichting: “De arbeid kan ten behoeve van zichzelf of ten behoeve van anderen ingezet worden, en al dan niet via de markt plaatsvinden.”
Onder deze definities hoeft arbeid niet per sé voor eigen financieel gewin te zijn. Dit is echter wel hoe arbeid over het algemeen gezien wordt door de in het onderzoek beschreven actoren: “Instellingen en bedrijven gebruikten het begrip arbeid exclusief in de zin van betaalde arbeid”. Hieraan gekoppeld is dat vrijwilligerswerk en mantelzorg op lage waarde worden geschat.
Aangezien het vrijwilligerswerk dat langdurig werklozen doen niet als zeer waardevol wordt gezien, hebben dezen een nog slechtere kans op de arbeidsmarkt, ondanks dat ze wellicht veel werkervaring op doen.
Dat is niet het enige effect van de definitie van arbeid van instellingen en bedrijven. De in het onderzoek geïnterviewde personen hadden deze nauwe definitie van arbeid overgenomen. Zij vonden dat zij geen arbeid verrichten. En dit heeft een negatief zelfbeeld tot gevolg: “De geïnterviewden gaven een markteconomische invulling van arbeid. Het ontbreken daarvan vertaalde zich in een negatief zelfbeeld. De afwezigheid van betaald werk leek de totale identiteit van een persoon te domineren”. (Het is interessant om te merken hoe groot de invloed van het markteconomische wereldbeeld is)
Het negatieve zelfbeeld blijkt weer een negatieve invloed op het sollicitatieproces te hebben, wat er ironisch genoeg voor zorgt dat de arbeid waarmee men hun leven vult onbetaald blijft. Een vervelende vicieuze cirkel. Hoe de maatschappij arbeid definieert lijkt hiermee een behoorlijke invloed te hebben juist op de mensen die zich vrijwillig voor de maatschappij inzetten. Dat zou niet nodig moeten zijn, toch?
Nog een filosofische gedachte. Filosofen als Hegel en Marx zien arbeid als een proces waarin een mens zichzelf realiseert. Hoe verhoudt dat zich tot de bovenstaande observaties?
Gedachte, uit een discussie op Reddit over de belangrijke debatten in onze samenleving in de verre toekomst (licht bewerkt):
The major societal rifts (in the future) would, I think, come from things that redefine concepts that we value highly. Mostly things that have a huge effect on societal norms. I think in the future, contentious debates might arise about the definition of what a human is (what makes us human), ethics, what nature is, and the value of labour.
These are debates that have the potential to be as heated as our current debates about the definition of a human relationship or national identity. Issues could be things like technological enhancement of human bodies/brains, designer babies, what are labour and leisure worth in a world of affluence (if such a world will ever be ours), can artificial intelligence make ethical decisions, should we engineer our “natural” environment/climate?
Daaraan toegevoegd, denk ik dat het debat over nationale en culturele identiteit waar we momenteel inzitten (met onze grote vriend Geert Wilders), nog lang niet voorbij is, aangezien de trend van globalisering nog steeds doorgaat.
Dit artikel is een goede toevoeging aan deze post. Het laat zien welke groepen het meeste risico lopen om plagiaat te plegen - daarmee laat het zien dat kopiëren ondanks de eerder genoemde oorzaken binnen het aangeboden onderwijs, ook veel met de mentaliteit van een student te maken heeft. Aan de andere kant, biedt het artikel ook aanknopingspunten voor het bekritiseren/veranderen van het aanbod:
But the KU researcher and his MIT colleagues also demonstrated that changes to college course formats — such as breaking up large lecture classes into smaller “studio” classes, increasing interactions between teaching staff and students, changing the grading system — could reduce student copying fourfold.
Of de PVV nu in de regering komt of alleen gedoogsteun geeft, een rechts kabinet is niet mijn kabinet. Begin jaren zeventig vormden oppositieleiders Joop den Uyl en Hans van Mierlo een schaduwkabinet dat klaar stond om te regeren. Als er daadwerkelijk een rechts kabinet aantreedt dan moeten Job Cohen, Alexander Pechtold en Femke Halsema de handen ineen slaan en een nieuw schaduwkabinet vormen, dat het roer van het schip van staat overneemt als Mark Rutte de macht over dit stuur verliest. Zo’n schaduwkabinet - dat helemaal in de geest van Van Thijn is en het publicitair weer ongelooflijk goed gaat doen - wordt dan bovendien een vast baken en een signaal van hoop in een verwilderde en stormachtige tijd, waar donkere wolken zich samenpakken.
Wat mij betreft gewoon doen!
Volgens een artikel in de New York Times wordt plagiaat steeds normaler en steeds meer studenten maken zich er schuldig aan. Bovendien zien veel het als onschuldig:
Perhaps more significant, the number [of undergraduates] who believed that copying from the Web constitutes “serious cheating” is declining — to 29 percent on average in recent surveys from 34 percent earlier in the decade.
De toename komt natuurlijk voor een behoorlijk deel voort uit de veranderde aard van de informatievoorziening:
“Now we have a whole generation of students who’ve grown up with information that just seems to be hanging out there in cyberspace and doesn’t seem to have an author,” said Teresa Fishman, director of the Center for Academic Integrity at Clemson University. “It’s possible to believe this information is just out there for anyone to take.”
Een verontrustende trend, of niet? Het verdient geen pluim: het mag verondersteld worden dat mensen op de hoogte zijn van vrij normale regels van onze maatschappij en binnen hun omgeving, en dat zij zich daaraan pogen te houden.
Echter, in een samenleving waar veel informatie zo makkelijk te vergaren is dat het niet standaard meer is dat iemand deze kennis in zijn hoofd moet hebben, wordt het minder vanzelfsprekend om scholieren en studenten te vragen deze kennis uit hun hoofd te leren en vervolgens op te schrijven. Te vaak krijg je een opdracht, waar je niet voor na hoeft te denken, maar enkel een zoekmachine voor op hoeft te starten. Vervolgens is het een kwestie van een tekst die er al goed genoeg uitziet te herschrijven in eigen woorden. Zo zijn scholieren en studenten steeds bezig met het herschrijven van tekst. Dan is de verleiding groot om de tekst gewoon te kopiëren. Voor het opdoen van vaardigheden is er dan tussen herschrijven en kopiëren voor de student niet zoveel verschil te bemerken. Dan is de conclusie dat het vast geen zwaar misdrijf is vrij snel getrokken door deze student. (Dit laat niet weg dat er natuurlijk nog veel ernstigere vormen van plagiaat zijn dan bijvoorbeeld een definitie van Wikipedia kopiëren)
De wijze waarop opdrachten aangeboden moet worden, en de vaardigheden die studenten moeten leren op het middelbaar en hoger onderwijs, moet wellicht aangepast.
Professor Mazor van Harvard weet dit waarschijnlijk ook (het punt gaat over onthouden, maar als “memory” met “internet” vervangen wordt gaat het net zo goed op):
He threw out his lectures in his introductory physics class when he realized his students were not absorbing the underlying principles, relying instead on memory to solve problems. His classes now focus on students working in small groups.
“When I asked them to apply their knowledge in a situation they had not seen before, they failed,” Professor Mazur said. “You have to be able to tackle the new and unfamiliar, not just the familiar, in everything. We have to give the students the skills to solve such problems. That’s the goal of education.”
Plagiaat blijft fout. Maar de vraag is wie het slechtste bezig is: studenten, of onderwijsaanbieders. Het laatste woord laat ik aan Nick Mamates, die vroeger voor een mooi bedragje een mooi verslag in elkaar flanste voor iedere student die daar open voor stond:
There’s another reason I never felt too badly about the job, though I am pleased to be done with papers. The students aren’t only cheating themselves. They are being cheated by the schools that take tuition and give nothing in exchange.