Posted 3 weeks ago

Flow & de aantrekkingskracht van games

Werk en onderwijs, ze kunnen beiden vrij saai zijn. Je ziet het veel bij jongeren: liever games dan huiswerk. Waarom zijn werk en onderwijs vaak saai en oefenen games en spelletjes op veel mensen vaak een enorme aantrekkingskracht uit? Het antwoord is flow*.

 Flow diagramme by Mihaly Csikszentmihalyi

Flow is een psychologische term voor een staat van hoge concentratie en motivatie voor een taak die zich uit in: vermaak, het verliezen van het gevoel van tijd en van het zelf-gevoel(bron). Een persoon verkeert in deze staat van zijn als zijn of haar vaardigheden perfect aansluiten op de uitdaging die de persoon voorgeschoteld krijgt. Dit kan gebeuren tijdens het geven van een speech, het sporten, creatieve uitingen, onderwijs en: games. Het is niet altijd makkelijk te bereiken. Zoals hierboven te zien is, kom je in een staat van verveling terecht als je vaardigheden de uitdaging te boven gaan. Als de uitdaging je vaardigheden te boven gaat, kan dit negatieve stress en onrust opleveren. 

Bij onderwijs zetten leerlingen allereerst vaak hun eigen vaardigheden niet in omdat ze passief bezig zijn, en missen ze zo überhaubt de kans om in een flow te raken. Als ze wel uitgedaagd worden, is die uitdaging vaak niet op hun individuele niveau afgestemd omdat onderwijs vaak een massaproduct is. Bij werk komen er niet zelden constant herhalende taken (met steeds dezelfde moeilijkheidsgraad) om de hoek kijken. 

Games dan. Zoals het boek Game Frame laat zien is het unieke aan computerspellen dat, naarmate de speler vordert in het spel en vaardigheden aanleert, het spel hier automatisch op inspeelt. Doordat je in een hoger level terechtkomt of verder gevorderd raakt in het spel. Spellen spelen constant in op de huidige vaardigheden van de speler, en wanneer deze vaardigheid ontbreekt trainen ze de speler erin: deels omdat de speler steeds precies op de voor hem of haar hoogst bereikbare moeilijkheidsgraad blijft. Hierdoor weten ze steeds weer die sweet spot van de flow te raken. 

De mechanismes van games voor werk of onderwijs inzetten kan dus helpen om flow te bereiken. Er is veel debat over het of en het hoe. Iets voor een andere keer…

* Flow is zeker niet het enige, er zitten veel meer aspecten aan games die hen aantrekkelijk maken. Ze spelen bijvoorbeeld vaak actief in op de verbeeldingskracht. 

Posted 1 month ago

Een missie

In het artikel ‘Van Presentie tot Correctie’ van het Verwey-Jonker Instituut wordt een nieuwe visie op ‘samenlevingsopbouw’ geschetst. In het artikel worden een aantal paradoxen benoemd die spelen binnen het opbouwwerk. Nummer één is:

Beschaving van onderop

De eerste paradox betreft de relatie tussen beschaving en emancipatie. Samenlevingsopbouw is onmiskenbaar een vorm van beschavingsarbeid, waarin ‘de betere standen’ op basis van humanitaire bewegingen het volk wilden verheffen tot het (bijna) eigen niveau. Onherroepelijk was hier sprake van vormen van ‘welbegrepen eigenbelang’ - de onderklasse was ook een bedreiging in fysieke en sociale hygiëne (De Swaan, 1996). Toch heeft in deze verheffingsgedachte ook altijd een element van emancipatie en ontplooiing gezeten, die niet valt terug te voeren tot elitaire belangen. Er is juist ook altijd gezocht naar ‘de stem’ van het volk, naar voice (Douglas, 1982). 

De fundamentele paradox die hieruit volgt - beschaving van onderop - is bijvoorbeeld zichtbaar in de kritieken van Peper en Achterhuis. Zij betrappen de professionele instellingen op het najagen van eigen belang, wat tekort zou doen aan de behoeftes en potenties van de bevolking. Maar ook het omgekeerde kleeft de samenlevingsopbouw aan: men zoekt onvermoeibaar naar de stem van bewoners, maar komt regelmatig met een koude kermis thuis. Boeren, burgers en bewoners komen niet opdagen, of laten zich vertegenwoordigen door straatburgemeesters en ‘kankeraars’ waarmee het slecht zaken doen is. De roep om burgerparticipatie - die in nieuwe vorm doorklinkt in het actieve burgerschap - valt regelmatig stil door tegenvallende opkomsten en uitkomsten. Het zijn de enkelingen die actief worden, en dat zijn vaak niet diegenen die worden gezocht.

De beschrijving pakt de basis van het legitimiteitsprobleem van het opbouwwerk: het wordt gedaan om ‘anderen’ te verheffen, maar hoeft die ander wel ‘verheven’ te worden, wat is ’verheffen’ en verheft de opbouwwerker zich soms niet vooral zelf? Bij veel activiteiten komt er vervolgens maar een beperkt aantal deelnemers kijken. 

Ik heb een aantal interessegebieden als agoog-in-opleiding, zoals veranderingsprocessen bij individuen, maar deze issues behoren, als het om samenlevingsniveau gaat, voor mij wel tot de belangrijkste. Zie het als een missie of sorts: ik wil zoeken naar methodes en een visie waardoor bij maatschappelijke activiteiten meer deelnemers kunnen deelnemen. Of dat komt door slimme staaltjes sociale psychologie om mensen te motiveren, of door het aanpassen van beleidsdoeleinden naar iets dat wél aanslaat, omdat het past bij wat een echte behoefte is vanuit de samenleving. Dat kan ik wel als een missie benoemen. 

Daarbij is ook een vleug visie te horen: ik denk wel het een en ander te weten wat goed is voor anderen, maar ik wil vooral ontdekken wat hun behoefte is. Óf ze behoeftes hebben. ‘Verheffen’ omdat het moet vanuit een soort van elitair ideaal, is voor mij geen streven. Worden er mensen ‘verheven’, dan is dat als gevolg van een eigen behoefte.

Posted 3 months ago

Het geheime leven van voornaamwoorden

I’m a social psychologist whose interest in these words came about almost accidentally. In the early 1980s, I stumbled on a finding that fascinated me. People who reported having a traumatic experience and who kept the experience a secret had far more health problems than people who talked openly. Why would keeping a secret be so unhealthy? If you asked people to write about their secrets, would their health improve? The answer, I soon discovered, was yes.

As part of this work, we developed a computer program to analyse the language people used when they wrote about traumas. We made numerous discoveries using this tool, such as the value of using words associated with positive emotions.

However, our most striking discovery was not about the content of people’s writing but the style. In particular, we found that the use of pronouns – I, me, we, she, they – mattered enormously. The more people changed from using first-person singular pronouns (I, me, my) to using other pronouns (we, you, she, they) from one piece of writing to the next, the better their health became. Their word use reflected their psychological state.

Interessant artikel over wat iemands taal lijkt te zeggen over hun innerlijk leven.

Posted 3 months ago

When traffic congestion gets especially nasty, the first thing planners think to do is expand road capacity. More lanes should ease the pressure, right? Except, that doesn’t work. As Eric Jaffe points out over at Atlantic Cities, traffic tends to expand to fill capacity. He cites a new paper in the American Economic Review that finds that traffic “increases proportionately to roadway lane kilometers for interstate highways and probably slightly less rapidly for other types of roads.” (Scott Olson/Getty)

Why is this? The demand for space on the roads is high. More lanes just cause people to drive more. Habits shift, too: The guy who’d previously left work at 6 in the morning to beat the traffic now decides to leave a little later, closer to rush hour. Overall congestion stays roughly constant. A second option for planners, of course, is to expand public transportation. If there are more buses and subways, that should free up space on the roads, right?

No again. Here are the authors of the AER paper, Gilles Duranton and Matthew Turner: “We find no evidence that the provision of public transportation affects [vehicle miles traveled. We conclude that increased provision of roads or public transit is unlikely to relieve congestion.”

Posted 3 months ago

Police Clashes Spur Coverage of Wall Street Protests - NYTimes.com

The Occupy Wall Street protests, by design, began with little in the way of concrete goals or strategy.

But the protests in Manhattan, now in their third week, and in other parts of the country, have found two ways to draw attention to their cause. First, keep at it. And second, wait for confrontations with the police.

In New York (en steeds meer ook andere steden) zijn al een tijdje protesten gaande tegen het roekeloos graaien van (sommige) rijken in de VS. 

Statisticus Nate Silver heeft een mooi onderzoekje gedaan naar de media-bekendheid van de protesten, en ziet dat die in grote mate samenhangt met geweldsincidenten. Wil je dus als machtspoliticus dat de protesten een stille dood sterven, behandel de demonstranten dan vooral met fluwelen handschoenen… 

“Blij” dat ze dat niet hebben gedaan.

Posted 3 months ago
Contrary to the traditional views of the music industry, removal of digital rights management (DRM) restrictions can actually decrease piracy, according to new research from Rice University and Duke University.
Posted 3 months ago

Larry Derfner: Congress Shows Lack of Leverage With Aid Threat

As an Israeli who sees the occupation as a plague both on Palestinians and on Israelis, I think it’s a good thing that Congress just held back $200 million in economic aid to the Palestinians as punishment for their statehood bid at the United Nations. It’s a good thing, because now that the Republican Party (and much of the Democratic Party) is indistinguishable from Likud USA, American involvement only makes the Israeli-Palestinian conflict worse, so the less influence America has over here, the better. And the withholding of the $200 million gives the United States even less influence over the Palestinians than it had after President Obama, at Israel’s behest, did them in at the United Nations.

De Israëlische Larry Derfner maakt in een provocatieve blogpost het logische duidelijk: nu de VS haar economische hulp aan de palestijnen stopzet, verliest ze nog meer invloed in de gebieden die ze had kunnen gebruiken, for good or evil. Uiteindelijk is geld invloed. Nu de geldkraan is dichtgedraaid heeft de VS nog minder onderhandelingsinvloed dan ze al had op het conflict. 

Daarnaast beïnvloed geld ook de mentaliteit. Een hypothetische stelling van een leek (w.b.t. internationale politiek en geschiedenis), zou het mogelijk zijn geweest voor de VS om, door het strategisch aan de Palestijnen besteden van grote hoeveelheden geld, om ze zo te laten verwesteren? 

Disclaimer: Ik ben het niet per sé eens met het sentiment hierboven en met de gelinkte blogpost. Ik vind de beschrijving van het strategische mechanisme voornamelijk interessant. 

Posted 4 months ago

Klagen voorkomt slagen

Ik kan best wel een potje klagen als ik er zin in heb. En daar ben ik niet de enige in. Mensen die de identiteit aannemen van een sociaal betrokken burger met een hart voor de samenleving kunnen goed klagen over het grote aantal mensen dat zijn geld enkel aan kleding en niet aan goede doelen spendeert, rommel op straat gooit en/of binnen het onderwijs of de baan gaat voor een zesje. En dan hebben we het nog niet over het aantal mensen dat niet stemt, vuile energie gebruikt of scheert met niet-duurzame scheermesjes (oh nee!). 

Een onderzoek van Cialdini, Reno en Kallgren uit 1990 laat zien dat dit best risicovol kan zijn. En dat doen ze aan de hand van de theorievorming rondom sociale normen. 

Er zijn namelijk twee soorten sociale normen: injunctieve en descriptieve. Injunctieve normen beschrijven wat mensen over het algemeen denken dat ze moeten doen (“Je moet groene energie gebruiken”) en descriptieve normen laten zien wat mensen denken dat anderen doen (“Het overgrote gedeelte van de mensen gebruikt geen groene energie”). Beide zijn (ook op zichzelf staand) effectief: hebben mensen kennis van deze normen, dan laten ze zich hierdoor vaak beïnvloeden. Ten positieve of ten negatieve. 

Dit wordt (wederom door Cialdini. Mijn held!) mooi aangetoond met zijn experimenten rondom groene energie. Door te laten zien wat het gemiddelde energiegebruik is en welke ‘buren’ ook energie besparen (hier krijgen ze een descriptieve norm aangereikt) worden burgers verleid om zelf ook energie te besparen. Dit leid tot vrij sterke resultaten. 

Hier wordt een injunctieve norm (bespaar energie!) succesvol gecombineerd met een descriptieve (kijk eens, anderen doen het ook!). Jackpot! 

Wat gebeurt er echter als een positieve injunctieve norm (“gooi geen afval op de grond!”) tijdens het klagen gecombineerd wordt met een negatieve descriptieve norm (“want de grond ligt al vol met afval!”)? Het zou al duidelijk moeten zijn: de negatieve norm werkt het positieve gedrag tegen. Want het wordt duidelijk gemaakt dat veel anderen wel afval op de grond gooien. Het verbinden van een oproep tot gedragsverandering gekoppeld aan een klacht maakt vooral duidelijk wat de descriptieve norm is. 

De positivo’s hebben hier de wetenschap mooi met zich mee: laat zien dat anderen sociaal wenselijk gedrag vertonen en laat het klagen achterwege. Het is een mooie manier om je te verheven te voelen boven anderen en/of frustraties te uiten, maar tot een positieve gedragsverandering leidt het niet snel. 

Let op hoezeer dit alles ook bij mij ingebakken zit: ik demonstreer precies waar ik het over heb. Ik laat zien hoe veel mensen klagen en roep ze vervolgens op om dat niet te doen. Oei!

Posted 5 months ago

Rick Perry’s Scientific Campaign Method

No candidate has ever presided over a political operation so skeptical about the effectiveness of basic campaign tools and so committed to using social-science methods to rigorously test them.

Posted 5 months ago

Verkiezingen: Het inschakelen van een positief zelfbeeld vergroot de opkomst

‘Motivating voter turnout by invoking the self’ van Bryan et al., gepubliceerd in PNAS [PDF], is een bijzonder interessant onderzoek waarvan de inzichten, dunkt mij, relevant zijn voor een ieder die zich met vraagstukken rondom burgerlijke participatie en gedragsverandering bezig houd. 

De amerikaanse onderzoekers hebben een drietal experimenten uitgevoerd. In ieder experiment werden potentiële kiezers een enquête voorgelegd. Één groep kreeg een enquête voor de neus met de vraag “How important is it to you to vote in the upcoming election?”. De andere kreeg nagenoeg dezelfde vraag, maar net iets anders: “How important is it to you to be a voter in the upcoming election?”. 

Een bijvoeglijk naamwoord (stemmer) of een werkwoord (stemmen). Dat is van weinig betekenis toch, zou je denken? Niet dus. De onderzoekers zagen onder degenen die de enquête met het  bijvoeglijk naamwoord hadden ingevuld een verkiezingsopkomst die 10-14% hoger was dan die van de ‘werkwoorders’. Dan gaat het dus om een algemene verkiezingsopkomst die van 81.1% naar 95.5% gaat. Da’s niet mis!

Hoe komt dit? Identiteit is in deze het sleutelwoord. Mensen hebben een behoefte om hun eigen identiteit vorm te geven. Mensen vragen of ze gaan stemmen reikt hen geen woorden aan om hun identiteit mee te verrijken. Het roept op tot een handeling en impliceert hoogstens dat dit sociaal wenselijk gedrag is1. Door een potentiële identiteit aan een gedrag te koppelen (die van ‘stemmer’) wordt dit gedrag een statement waarvan het duidelijk is dat de eigen identiteit ermee verrijkt wordt. En, belangrijk: de eigen identiteit komt hiermee meer in lijn te liggen met de identiteit die de meeste individuen al zoeken:

Previous research has shown that people have a strong desire to see themselves as competent, morally appropriate, and worthy of social approval (4–11). They also see voting as appropriate and socially desirable (12, 13). Thus, being the kind of person who votes may be seen as a way to build and maintain a positive image of the self to claim a desired and socially valued identity.[Bryan et al., 2011]

Ik zou hierin met enig risico (ik ben geen psycholoog) nog iets verder willen gaan. De moeite doen om iemand op te roepen om op een bepaalde manier te handelen, draagt de boodschap in zich dat deze handelswijze niet vanzelfsprekend is. Anders was deze ‘herinnering’ niet nodig. Het aanreiken van een identiteit impliceert dat er anderen zijn die deze identiteit ook hebben aangenomen en impliceert hierdoor het bestaan van een sociale norm. 

Wat betekent dit onderzoek? Het onderzoek impliceert ten eerste dat mensen hun identiteit sterker verbinden aan een beschrijving met een bijvoeglijk naamwoord dan met een werkwoord. En het is hier niet het eerste onderzoek in. Wil je mensen hun identiteit beïnvloeden of bevestigen, om hen te verleiden tot een bepaald soort gedrag, dan is dat handig om mee te nemen. 

Ook suggereert het beschreven fenomeen de validiteit van het sociaal-psychologische begrip van ‘consistentie’: men is sterk geneigt te handelen naar het beeld dat zij van zichzelf en anderen van hen hebben. Wordt een handeling voorgesteld zonder dat deze deel is van iemand hun identiteit dan is er een kleinere kans dat deze wordt uitgevoerd. Een handeling voorstellen en duidelijk maken dat deze een verbetering van de identiteit betekent heeft een grotere kans van slagen. Datzelfde zal denk ik gelden voor een handeling waarvan geïmpliceert is dat deze nodig is om de identiteit in stand te houden. Hoe het zit met een handeling waarvan het handelen binnen de identiteit valt maar waarvan het (niet) uitvoeren geen consequenties heeft, is mij onduidelijk.

Als laatst laat het zien hoe sterk de wens van mensen is om een sociaal wenselijke identiteit aan te nemen, en dat hen die kans gunnen kan leiden tot sociaal wenselijk gedrag. Dit heeft consequenties voor verkiezingen, zoals zojuist gedemonstreerd. Maar het zal ook invloed hebben op andere vormen van participatie. Wil je iemand verleiden om zich in te zetten voor de wijk? Zorg voor een bijeenkomst voor iedereen die een ‘actieve bewoner’ wil zijn. Wil je mensen verleiden om geld te geven aan goede doelen? Noem diegenen die hen voorgaan bijvoorbeeld een ‘filantroop’ of een ‘gulle gever’. 

En nu: …wees alsjeblieft een reageerder!

Voetnoot: 1. Let wel, ook dat kan handig zijn. De onderzoekers zijn licht verbaasd dat ook de werkwoord-vraag de opkomst verhoogde (relatief gezien, richting mensen die helemaal geen enquête hebben ingevuld) en proberen dit op een aantal manieren te verklaren. Als absolute psychologie-leek draag ik een verklaring aan die zij niet nomen. Iemand het bestaan van een “injunctieve sociale norm” (Injunctieve normen beschrijven wat mensen over het algemeen denken dat ze moeten doen) kenbaar maken verhoogd de kans dat iemand zich naar dat gedrag voegt. De enquête maakt deze norm wellicht niet expliciet kenbaar, maar door iemand naar de wenselijkheid van een bepaald gedrag (stemmen) te vragen, waarvan mensen bovendien al wel ergens weten dat het wenselijk is (een injunctieve norm!), wordt wellicht zo’n injunctieve norm geïmpliceert. 

Posted 6 months ago

Effectiviteit van interventies in een steeds complexere samenleving: onderwijs en onderzoek

De laatste jaren is er steeds meer aandacht voor “focusgebieden” in het onderwijs en onderzoek: de geldstromen en de aandacht van onderwijs- en onderzoeksinstellingen zouden zich steeds meer moeten concentreren op enkele focusgebieden (bijvoorbeeld life science en food & agro), om die te versterken en om op die manier de internationale concurrentiepositie te verbeteren. Het Rathenau instituut publiceerde een onderzoek hierover (PDF), “Focus en massa in het wetenschappelijk onderzoek: de Nederlandse onderzoeksportfolio in internationaal perspectief”.

Interessante conclusie: het lijkt alsof er weinig verbetering te zien is in de output van de sectoren waarop wordt gefocust, zowel vanuit binnenlands perspectief:

Het beleid van focus en massa lijkt geen structureel effect te hebben gehad op de Nederlandse wetenschappelijke output. Als dat wel zo was geweest,  dan was de verdeling van de output over de onderzoeksgebieden schever  geworden met een sterkere concentratie van de output in een klein aantal  (focus en massa) velden. Maar de output is juist meer divers geworden.

Alswel vanuit het buitenlandse perspectief:

In internationaal perspectief is Nederland niet gespecialiseerd in de meeste  Nederlandse focusgebieden. Alleen in water en genomics heeft Nederland  een comparatief voordeel opgebouwd (een revealed comparative advantage groter dan 100). In het algemeen heeft Nederland juist een sterk comparatief  voordeel in de biomedische velden. De internationale positie van deze  velden wordt sterker, terwijl die van de focusgebieden juist afneemt.

Let wel, het is allemaal relatief:

De geobserveerde ontwikkelingen zijn relatief: in de meeste focusgebieden groeit de Nederlandse wetenschappelijke output, maar in andere landen groeit de output sneller. Het zijn vooral de landen van Zuid- en Oost-Azië  die sterk opkomen in de Nederlandse focusgebieden

De onderzoekers komen dus tot de conclusie dat de huidige aanpak voor de focusgebieden niet afdoende werkt om deze dermate te versterken dat Nederland op deze gebieden een betere internationale concurrentiepositie verwerft. 

Hoe komt dit? Wellicht (dit is een eigen mening) zijn de focusgebieden slecht gekozen: dit waren gebieden wiens output over de loop der jaren al af leek te nemen volgens de gekozen meetmethode van de onderzoekers. De onderzoekers hebben een andere, interessantere stelling, namelijk dat het Nederlandse onderzoeksstelsel redelijk immuun is voor top-down interventies. Dit komt door de manier waarop het systeem is opgebouwd en door de complexiteit van het systeem. Willen we centrale sturing makkelijker maken (is dat wenselijk?), dan moet het systeem anders worden ingericht. 

De onderzoekers hebben onder andere dit erover te zeggen:

Het feit dat het F&M-beleid niet slaagt, is volgens ons niet toe te schrijven aan een gebrek aan tijd of middelen of aan het herlabelen op de werkvloer van het wetenschappelijke onderzoek. We vermoeden dat het uitblijven van een effect op de wetenschappelijke output verklaard kan worden vanuit de complexiteit van het wetenschapssysteem. En dan met name door de veelheid van strategische prioriteiten van andere actoren en de hechte organisatie op het middenniveau. Het grote ‘middengebied’ van het wetenschapssysteem, met de vele regelingen en de verknooptheid van instituties en organisaties, lijkt tot compenserende effecten te leiden. Als het ene veld extra wordt gestimuleerd, past men zich op andere plekken aan. Maar adaptatie vindt ook plaats op andere plaatsen in het wetenschapssysteem, met name in de grote onderzoeksorganisaties, zoals universiteiten, die een grote vrijheid hebben in het verdelen van onderzoeksgelden volgens eigen prioriteiten. Ook de inzet van de FES-middelen overlapt slechts gedeeltelijk met de prioriteiten van de genoemde ministeries. Het resultaat is contra-intuïtief: de focusgebieden groeien niet sterker maar juist zwakker dan gemiddeld.

Blijkbaar is het wetenschapssysteem resistent tegen beleidsinterventies en vinden veranderingen plaats onder invloed van andere mechanismen. Top-down beleidsmaatregelen om specifieke gebieden te stimuleren leiden daarom niet een-op-een tot een gewenst effect, maar worden door complexe interactie tussen een veelheid aan actoren in het wetenschapssysteem geabsorbeerd. Het Nederlandse wetenschapssysteem wordt gekenmerkt door een hoge mate van lokale autonomie in thematische keuze, zoals in de besteding van de eerste en tweede geldstromen. Als de overheid bepaalde velden extra stimuleert, terwijl universiteiten tegelijkertijd strategisch voor ander velden kiezen, NWO zijn eigen prioriteiten stelt en de FES-geldentoekenning een eigen strategische logica heeft, dan resulteert dat in tegenstrijdige interventies met mogelijk onbedoelde effecten. De sturende invloed van de overheid (top-down) lijkt klein. Omdat regie en coördinatie dominanter zijn dan concurrentie tussen onderzoekers, lijkt ook de invloed van de bottom-up dynamiek tanende. De vraag is of dat op de lange termijn voor het Nederlandse wetenschapssysteem niet erg nadelig kan uitpakken. Sterkere centrale regie, gecombineerd met meer decentrale vrijheid, kan dan een oplossing zijn. 

Het rapport is het lezen waard, om inzicht te krijgen in de krachten en zwaktes van het Nederlandse onderzoek op internationaal vlak. Maar de discussie over de interventies raakt vooral mijn interesse, omdat het weer een bewijs is van de toenemende complexiteit van de samenleving en het daaraan gekoppelde afnemen van de effectiviteit van top-down interventies. Alles wat de skepsis over simpele oplossingen doet toenemen is welkom!

Posted 1 year ago

De calculerende burger/student

In de medezeggenschap op de opleiding komt wel eens de vraag langs: hoe kunnen studenten aangemoedigd worden om meer te lezen? Het gebeurd namelijk weinig. Studenten zijn calculerend. Als iets niet absoluut hoeft, is de kans klein dat het gebeurd. Het makkelijke antwoord op dit dilemma, dat niet veel nadenken kost, is om via toetsing te testen of iets echt is gelezen. Bij studies die steeds meer om projectonderwijs en het zelf ontwikkelen van competenties gaan gebeurd niet veel meer. Als een goed, creatief, verhaal in een verslag genoeg is, dan is het minder belangrijk van tevoren iets gelezen te hebben. Eisen dat dit leeswerk wel terugkomt in verslagen lijkt dus ook een oplossing. 

Naast dat dit een wel hele simpele oplossing is en de werkelijkheid complexer zal zijn, ligt hier misschien ook nog een vraag onder: in een maatschappij met calculerende burgers en studenten, die precies weten hoe ze iets met de minste moeite moeten halen, moeten de beleidsmakers en onderwijzers daarop inspelen door calculerender te zijn dan de burgers en de systemen zo te veranderen dat de juiste calculatie van de burger diegene wordt die hun voorkeur heeft? Of moet er meer van de burger ge-eist worden? 

Posted 1 year ago

Hoe goed schat de burger milieuëfficiëntie in?

Laatst behandelde ik verkeerde milieuprioriteiten: mensen - en media en feelgoodmagazines moedigen ze hiertoe aan - focussen op kleine, maar niet al te nuttige manieren om het milieu te verbeteren, en denken daarbij niet aan de eigen energie en tijd die het hen kost, doordat ze die besteden aan, bijvoorbeeld, zoeken naar het groenste scheermesje, in plaats van dat ze iets doen dat meer baten oplevert. 

The Economist citeert onderzoek van Columbia University dat deze gedachte in zekere mate ondersteund, maar op zichzelf ook interessant is:

Their results, published this week in the Proceedings of the National Academy of Sciences, suggest that although people do grasp basic energy trends, they are decidedly hazy on the details. On average, participants underestimated both energy use and energy savings by a factor of 2.8—mostly because they undervalued the requirements of large machines like heaters and clothes dryers. As a result, they failed to recognise the huge energy savings that can come from improving the efficiency of such appliances.

De onderzochten gokten redelijk goed hoeveel energie het gebruiken van een energiesparende lamp - een relatief kleine maatregel - opleverde, maar onderschatten in sterke mate hoeveel energie ze konden besparen door het efficiëntere gebruik van grote apparaten. Dit zorgt ervoor dat mensen hun energie aan het verkeerde besteden:

Miscalculations like these hinder conservation efforts. When asked to rank the single most effective way to save energy, participants typically endorsed activities with small savings, such as turning off lights, while ignoring what they could economise on larger devices. This suggests that people misallocate their efforts, fretting over an unattended lamp (at 100 watts) while neglecting the energy they could save by nudging their washer settings from “hot” to “warm” (4,000 watt-hours for each load of laundry).

De onderzoekers denken dat door betere informatieverschaffing mensen betere besluiten kunnen nemen over energiebesparing. In het artikel worden mogelijke oorzaken van het veschijnsel genoemd. maar ik kan er ook nog één bedenken:

A quirk of human psychology could help to explain these persistent underestimates. When calculating such things, people often adopt a familiar unit as a mental yardstick and then generate predictions based on that unit. As a side-effect, their estimates cluster too closely around the yardstick measure—a phenomenon called “anchoring”.

Ik zou nog als reden kunnen bedenken: door de grote hoeveelheid aandacht die media geven aan kleine gedragsveranderingen lijkt het alsof deze belangrijker zijn dan ze werkelijk zijn.

Nogmaals dus: hou op met het zoeken naar het groenste scheermesje (behalve als je al bijna helemaal groen bent) en doe eens wat aan die wasdroger. En moedig anderen niet primair aan energie te besparen met kleine feelgood maatregelen die bijna geen resultaat opleveren voor het milieu, maar één grote stap te maken die een hele boel energie bespaart.

Posted 1 year ago

Foute milieuprioriteiten

[Dit is een repost van een eigen oude blogpost die op een overleden blog stond]

Grist magazine is over het algemeen een milieumagazine dat wel van de grotere perspectieven houdt, en dat niet geobsedeert is door schuldgevoelens en doemdenken, maar de dingen op een vrolijke manier bekijkt. Maar kennelijk niet altijd… 

Every morning when I shave, I stare in the mirror and wonder if my razor is the best choice for the environment. I realize the easy answer is to let the beard grow. Except the problem is, lots of today’s environmentalists are quietly waging their struggles in modern offices, where beards do not sit well with the management. [knip]

Right now I buy plastic disposable razors that you throw away after one use. They’re inexpensive and get the job done quite painlessly, but they’re plastic and they’re disposable. So I’m toying with the idea of buying the old-school barber kind that requires considerably more time and skill, but does not wind up in the landfill.

Am I misguided, Umbra? Is there a better alternative?

David Grover
Nottingham, England


Op een vraag van een lezer over milieuvriendelijk scheren wordt het advies gegeven geen electrische scheerapparaten of weggooi-scheerapparaten te gebruiken. Het laatste is milieuonvriendelijk omdat het veel afval veroorzaakt, het eerste gebruikt electriciteit, al is het maar een beetje. Afgeraden dus. Wat het makkelijkste en comfortabelste is wordt achterwegen gelaten. 

Het probleem hier is dat het misschien op een bepaalde manier milieueconomischer is om een net iets minder milieuonvriendelijke scheermethode te gebruiken, maar niet economischer qua tijd of energie. Als bij alle zaken waar een kleine milieuwinst te boeken valt voor deze milieuwinst gegaan wordt (scheerapparaten, het boycotten van producten die een kleine hoeveelheid dierlijke bestanddelen bevatten door veganisten, dat soort dingen), gaat er daarin zoveel tijd en geld zitten dat er geen tijd en geld meer over is voor het behalen van grotere milieuwinsten (het vervangen van alle lampen in huis door spaarlampen, het participeren in debatten over het milieu, het sparen voor zuinigere (grote) apparaten, of voor apparaten die niet alleen op standby, maar ook uit kunnen, enzovoort).

En mensen met tijd over, die zich comfortabel voelen en niet op de kleinste zaken moeten letten, zijn sowieso een goede contributie aan de samenleving, wat ook tot milieuwinst zou moeten leiden op de lange termijn. Er zijn dingen die fundamenteel aan de samenleving veranderd kunnen worden, er zijn oplossingen die we samen kunnen gaan toepassen, en met de handen in het haar zitten vanwege de milieuonvriendelijkheid van scheren draagt daar niet heel erg veel aan bij.

(Een reactie van Steeph toendertijd: 

En dan hebben we het nog niet eens gehad over de hoeveelheid kilometers die je moet rijden om hier in NL uberhaupt een ouderwets scheermes te vinden.

Ik heb het geprobeerd. Nog steeds niet gelukt.

)

Posted 1 year ago

Social Proof en milieumaatregelen

Dit blog heeft net beschreven hoe “social proof”, oftewel de neiging van mensen om te bepalen wat correct (gedrag) is door te kijken wat anderen vinden, een invloed heeft op hoe snel mensen ingrijpen in een gevaarlijke situatie. Een artikel uit The Atlantic Monthly van Juli vorig jaar laat een interessante manier zien om dit principe te gebruiken om verandering te bewerkstelligen. 

Allereerst, hoe zorg je dat mensen hun handdoeken hergebruiken? Simpel, wijs hen op wat andere mensen doen:

A few years ago, Cialdini, a professor at Arizona State University, conducted a study in several Phoenix hotels comparing the effects of those ubiquitous hotel-bathroom placards that ask guests to reuse towels, testing four slightly different messages. The first sign had the traditional message, asking guests to “do it for the environment.” The second asked guests to “cooperate with the hotel” and “be our partner in this cause” (12 percent less effective than the first). The third stated that the majority of guests in the hotel reused towels at least once during their stay (18 percent more effective). The last message was even more specific: it said that the majority of guests “in this room” had reused their towels. It produced a 33 percent increase in response behavior over the traditional message.

Dit principe is op meer - en meer invloedrijke - toe te passen. Cialdini, van wie volgens mij het hele concept van Social Proof afkomstig is, past hetzelfde principe toe op het energiegebruik van huishoudens:

Positive Energy, a company that has drawn on his work (he’s the chief scientist), has created software that assesses energy usage by neighborhood. Results are sent to consumers on behalf of their local utility, praising you with a row of smiley faces (you’ve used 58 percent less electricity than your neighbors this month!) or damning you with none (you used 39 percent more electricity than your neighbors in the past 12 months, and it cost you $741 extra).

En het lijkt te werken:

Keeping up with the Joneses may be cliché, but it seems to work: in Sacramento, where Positive Energy began its pilot program with the Sacramento Municipal Utility District in 2008, people who received personalized “compared with your neighbors” data on their statements reduced their energy use by more than 2 percent over the course of a year. In energyspeak, a 2 percent reduction is huge; with the pilot sample of 35,000 homes, it’s the equivalent of taking 700 homes off the grid. 

Is het een idee om dit concept naar Nederland te halen, en ook toe te passen op andere gebieden?

Al moet je je afvragen in wat voor soort maatschappij je terechtkomt als iedereen dit gaat doen, en bij alles je om de oren wordt geslagen met wat “de gemiddelde Nederlander” doet…