‘Motivating voter turnout by invoking the self’ van Bryan et al., gepubliceerd in PNAS [PDF], is een bijzonder interessant onderzoek waarvan de inzichten, dunkt mij, relevant zijn voor een ieder die zich met vraagstukken rondom burgerlijke participatie en gedragsverandering bezig houd.
De amerikaanse onderzoekers hebben een drietal experimenten uitgevoerd. In ieder experiment werden potentiële kiezers een enquête voorgelegd. Één groep kreeg een enquête voor de neus met de vraag “How important is it to you to vote in the upcoming election?”. De andere kreeg nagenoeg dezelfde vraag, maar net iets anders: “How important is it to you to be a voter in the upcoming election?”.
Een bijvoeglijk naamwoord (stemmer) of een werkwoord (stemmen). Dat is van weinig betekenis toch, zou je denken? Niet dus. De onderzoekers zagen onder degenen die de enquête met het bijvoeglijk naamwoord hadden ingevuld een verkiezingsopkomst die 10-14% hoger was dan die van de ‘werkwoorders’. Dan gaat het dus om een algemene verkiezingsopkomst die van 81.1% naar 95.5% gaat. Da’s niet mis!
Hoe komt dit? Identiteit is in deze het sleutelwoord. Mensen hebben een behoefte om hun eigen identiteit vorm te geven. Mensen vragen of ze gaan stemmen reikt hen geen woorden aan om hun identiteit mee te verrijken. Het roept op tot een handeling en impliceert hoogstens dat dit sociaal wenselijk gedrag is1. Door een potentiële identiteit aan een gedrag te koppelen (die van ‘stemmer’) wordt dit gedrag een statement waarvan het duidelijk is dat de eigen identiteit ermee verrijkt wordt. En, belangrijk: de eigen identiteit komt hiermee meer in lijn te liggen met de identiteit die de meeste individuen al zoeken:
Previous research has shown that people have a strong desire to see themselves as competent, morally appropriate, and worthy of social approval (4–11). They also see voting as appropriate and socially desirable (12, 13). Thus, being the kind of person who votes may be seen as a way to build and maintain a positive image of the self to claim a desired and socially valued identity.[Bryan et al., 2011]
Ik zou hierin met enig risico (ik ben geen psycholoog) nog iets verder willen gaan. De moeite doen om iemand op te roepen om op een bepaalde manier te handelen, draagt de boodschap in zich dat deze handelswijze niet vanzelfsprekend is. Anders was deze ‘herinnering’ niet nodig. Het aanreiken van een identiteit impliceert dat er anderen zijn die deze identiteit ook hebben aangenomen en impliceert hierdoor het bestaan van een sociale norm.
Wat betekent dit onderzoek? Het onderzoek impliceert ten eerste dat mensen hun identiteit sterker verbinden aan een beschrijving met een bijvoeglijk naamwoord dan met een werkwoord. En het is hier niet het eerste onderzoek in. Wil je mensen hun identiteit beïnvloeden of bevestigen, om hen te verleiden tot een bepaald soort gedrag, dan is dat handig om mee te nemen.
Ook suggereert het beschreven fenomeen de validiteit van het sociaal-psychologische begrip van ‘consistentie’: men is sterk geneigt te handelen naar het beeld dat zij van zichzelf en anderen van hen hebben. Wordt een handeling voorgesteld zonder dat deze deel is van iemand hun identiteit dan is er een kleinere kans dat deze wordt uitgevoerd. Een handeling voorstellen en duidelijk maken dat deze een verbetering van de identiteit betekent heeft een grotere kans van slagen. Datzelfde zal denk ik gelden voor een handeling waarvan geïmpliceert is dat deze nodig is om de identiteit in stand te houden. Hoe het zit met een handeling waarvan het handelen binnen de identiteit valt maar waarvan het (niet) uitvoeren geen consequenties heeft, is mij onduidelijk.
Als laatst laat het zien hoe sterk de wens van mensen is om een sociaal wenselijke identiteit aan te nemen, en dat hen die kans gunnen kan leiden tot sociaal wenselijk gedrag. Dit heeft consequenties voor verkiezingen, zoals zojuist gedemonstreerd. Maar het zal ook invloed hebben op andere vormen van participatie. Wil je iemand verleiden om zich in te zetten voor de wijk? Zorg voor een bijeenkomst voor iedereen die een ‘actieve bewoner’ wil zijn. Wil je mensen verleiden om geld te geven aan goede doelen? Noem diegenen die hen voorgaan bijvoorbeeld een ‘filantroop’ of een ‘gulle gever’.
En nu: …wees alsjeblieft een reageerder!
De laatste jaren is er steeds meer aandacht voor “focusgebieden” in het onderwijs en onderzoek: de geldstromen en de aandacht van onderwijs- en onderzoeksinstellingen zouden zich steeds meer moeten concentreren op enkele focusgebieden (bijvoorbeeld life science en food & agro), om die te versterken en om op die manier de internationale concurrentiepositie te verbeteren. Het Rathenau instituut publiceerde een onderzoek hierover (PDF), “Focus en massa in het wetenschappelijk onderzoek: de Nederlandse onderzoeksportfolio in internationaal perspectief”.
Interessante conclusie: het lijkt alsof er weinig verbetering te zien is in de output van de sectoren waarop wordt gefocust, zowel vanuit binnenlands perspectief:
Het beleid van focus en massa lijkt geen structureel effect te hebben gehad op de Nederlandse wetenschappelijke output. Als dat wel zo was geweest, dan was de verdeling van de output over de onderzoeksgebieden schever geworden met een sterkere concentratie van de output in een klein aantal (focus en massa) velden. Maar de output is juist meer divers geworden.
Alswel vanuit het buitenlandse perspectief:
In internationaal perspectief is Nederland niet gespecialiseerd in de meeste Nederlandse focusgebieden. Alleen in water en genomics heeft Nederland een comparatief voordeel opgebouwd (een revealed comparative advantage groter dan 100). In het algemeen heeft Nederland juist een sterk comparatief voordeel in de biomedische velden. De internationale positie van deze velden wordt sterker, terwijl die van de focusgebieden juist afneemt.
Let wel, het is allemaal relatief:
De geobserveerde ontwikkelingen zijn relatief: in de meeste focusgebieden groeit de Nederlandse wetenschappelijke output, maar in andere landen groeit de output sneller. Het zijn vooral de landen van Zuid- en Oost-Azië die sterk opkomen in de Nederlandse focusgebieden
De onderzoekers komen dus tot de conclusie dat de huidige aanpak voor de focusgebieden niet afdoende werkt om deze dermate te versterken dat Nederland op deze gebieden een betere internationale concurrentiepositie verwerft.
Hoe komt dit? Wellicht (dit is een eigen mening) zijn de focusgebieden slecht gekozen: dit waren gebieden wiens output over de loop der jaren al af leek te nemen volgens de gekozen meetmethode van de onderzoekers. De onderzoekers hebben een andere, interessantere stelling, namelijk dat het Nederlandse onderzoeksstelsel redelijk immuun is voor top-down interventies. Dit komt door de manier waarop het systeem is opgebouwd en door de complexiteit van het systeem. Willen we centrale sturing makkelijker maken (is dat wenselijk?), dan moet het systeem anders worden ingericht.
De onderzoekers hebben onder andere dit erover te zeggen:
Het feit dat het F&M-beleid niet slaagt, is volgens ons niet toe te schrijven aan een gebrek aan tijd of middelen of aan het herlabelen op de werkvloer van het wetenschappelijke onderzoek. We vermoeden dat het uitblijven van een effect op de wetenschappelijke output verklaard kan worden vanuit de complexiteit van het wetenschapssysteem. En dan met name door de veelheid van strategische prioriteiten van andere actoren en de hechte organisatie op het middenniveau. Het grote ‘middengebied’ van het wetenschapssysteem, met de vele regelingen en de verknooptheid van instituties en organisaties, lijkt tot compenserende effecten te leiden. Als het ene veld extra wordt gestimuleerd, past men zich op andere plekken aan. Maar adaptatie vindt ook plaats op andere plaatsen in het wetenschapssysteem, met name in de grote onderzoeksorganisaties, zoals universiteiten, die een grote vrijheid hebben in het verdelen van onderzoeksgelden volgens eigen prioriteiten. Ook de inzet van de FES-middelen overlapt slechts gedeeltelijk met de prioriteiten van de genoemde ministeries. Het resultaat is contra-intuïtief: de focusgebieden groeien niet sterker maar juist zwakker dan gemiddeld.
Blijkbaar is het wetenschapssysteem resistent tegen beleidsinterventies en vinden veranderingen plaats onder invloed van andere mechanismen. Top-down beleidsmaatregelen om specifieke gebieden te stimuleren leiden daarom niet een-op-een tot een gewenst effect, maar worden door complexe interactie tussen een veelheid aan actoren in het wetenschapssysteem geabsorbeerd. Het Nederlandse wetenschapssysteem wordt gekenmerkt door een hoge mate van lokale autonomie in thematische keuze, zoals in de besteding van de eerste en tweede geldstromen. Als de overheid bepaalde velden extra stimuleert, terwijl universiteiten tegelijkertijd strategisch voor ander velden kiezen, NWO zijn eigen prioriteiten stelt en de FES-geldentoekenning een eigen strategische logica heeft, dan resulteert dat in tegenstrijdige interventies met mogelijk onbedoelde effecten. De sturende invloed van de overheid (top-down) lijkt klein. Omdat regie en coördinatie dominanter zijn dan concurrentie tussen onderzoekers, lijkt ook de invloed van de bottom-up dynamiek tanende. De vraag is of dat op de lange termijn voor het Nederlandse wetenschapssysteem niet erg nadelig kan uitpakken. Sterkere centrale regie, gecombineerd met meer decentrale vrijheid, kan dan een oplossing zijn.
Het rapport is het lezen waard, om inzicht te krijgen in de krachten en zwaktes van het Nederlandse onderzoek op internationaal vlak. Maar de discussie over de interventies raakt vooral mijn interesse, omdat het weer een bewijs is van de toenemende complexiteit van de samenleving en het daaraan gekoppelde afnemen van de effectiviteit van top-down interventies. Alles wat de skepsis over simpele oplossingen doet toenemen is welkom!